De Ackerdijkse plassen
De "Ackerdijkse Plassen" is het enige echte natuurgebied op Pijnackerse bodem. De naam "Ackerdijkse Plassen" stamt uit de tijd dat alleen de plassen en de bosjes deel uitmaakten van het gebied. Deze waren in 1962 door Vogelbescherming Nederland aangekocht, bij elkaar zo'n 30 hectare. De visser die er woonde en er zijn brood verdiende, mocht blijven op voorwaarde dat hij het terrein enigszins op orde hield. In 1978 werd het reservaat drastisch uitgebreid met grote delen grasland van het voormalig boerenbedrijf. In 1984 verwierf Vogelbescherming Nederland ook het erf en de historische boerderij en kon een eigen beheerder worden aangesteld. Vanaf toen ging het in het gebied vooral om de natuur. Het totale gebied omvat inmiddels 140 hectare. Sinds 2003 is het geheel in eigendom en beheer van Natuurmonumenten.
De hoge natuurwaarden zijn vooral te danken aan de verscheidenheid in terreintypen. Zo zijn er de reeds genoemde plassen en moerasbossen, maar ook graslanden, ruigte, riet en drasland. Daarbij is er ook nog een grote variëteit aan grondsoorten. Een groot gedeelte van Ackerdijk drijft op een enorme laag veenprut. Gedeeltelijk ligt dit ook aan de oppervlakte, maar er komt ook klei voor in de bovenlaag. Dat is met name het geval op de plaats waar de kreekrug het gebied doorsnijdt. Deze kreekrug is ontstaan doordat de veenlagen van de omgeving inklonken (daalden) door ontwatering. De voormalige kreek was opgebouwd uit klei en zand en bleef op hetzelfde niveau. Daardoor ligt hij nu als een dijkje in het landschap.
In de zestiende eeuw nam de vraag naar turf sterk toe door de toenemende bevolking. Eerst werd het veen aan de oppervlakte afgegraven. Toen dat op was, begon men aan het slappe veen in het grondwater, dat moet worden uitgebaggerd en te drogen gelegd. En zo ontstonden, zij het pas in de achttiende eeuw, de Ackerdijkse Plassen. Dat ze niet groter zijn geworden dan ze nu zijn, heeft te maken met het grillige bodempatroon. De turfbaggeraars stootten dan weer hier en dan weer daar op zand of klei en zagen af van verdere exploitatie. Heel Zuid-Holland lag in die tijd vol met zulke plassen van wisselend formaat, waarvan de meeste in de achttiende en negentiende eeuw zijn drooggemaakt. Dat lot is de Ackerdijkse Plassen bespaard gebleven, en alleen al daarom zijn ze uniek in de verre omgeving.
Dankzij de verschillende grondsoorten is er een opmerkelijke variatie in boomsoorten. Naast veensoorten als berken, wilgen en elzen, groeien er ook essen, meidoorns, zomereiken, beuken, iepen, hazelaars en lijsterbessen op de stukken waar de bodem uit stevige klei bestaat en wat droger is. Uit de tijd dat er in het bos een zomerhuis stond met een tuin hebben zich enkele vreemdelingen weten te handhaven zoals taxus, paardekastanje en fruitbomen. Ook komen er enkele stinzenplanten voor zoals zomerklokje en boshyacint. De botanische waarde van de verdere kruidlaag is niet al te opwindend. Die bestaat uit vrij algemene soorten, maar ze horen wel echt bij het terrein: dagkoekoeksbloem en witbol. Maar de hooilandjes worden door de regelmatige maaibeurten en de afvoer van het maaisel wel steeds schraler: kale jonker, echte koekoeksbloem en reukgras hebben zich al gevestigd. Ook de ontwikkeling van de vegetatie langs de oevers geeft reden tot hoop: daar komen grote watereppe en blaartrekkende boterbloem voor, en holpijp in een sloot waar kwel optreedt. Net als voor het plantenleven is het water ook voor het dierenleven de bepalende factor. Dat begint al met de allerkleinste organismen die zich ophouden in de plassen en sloten. Uit inventarisaties blijkt dat er allerlei soorten watermijten, wantsen, muggen, kevers, bloedzuigers, slakken, watervlooien en spinnen voorkomen.
Al dit leven is de voedselbasis voor dieren van hogere orden. Dat begint met de amfibieën als de groene kikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, en natuurlijk vissen. Vissen, kikkers, larven en waterkevers worden gegeten door vogels, vooral door de reigers, die een kolonie hebben in het moerasbos. Aalscholvers huizen op het eiland in de Grote Plas achter de boerderij. Krakeenden, slobeenden en dodaarzen broeden op of bij het water. In het riet wonen rietzangers, karekieten en roerdompen. Niet alleen water- en rietvogels kunnen er terecht, ook voor allerlei andere vogels is het gebied aantrekkelijk. In het bos is er genoeg dood hout voor spechten, en de bomen zijn hoog en sterk genoeg voor de horst van de havik. Ook de andere soorten Nederlandse roofvogels voelen zich thuis in het gebied. Elk jaar is er wel een paartje boomvalken aanwezig. Jaarlijks broedt er een paar kerkuilen; is het niet in de ene, dan wel in de andere boerderij. Steenuilen en ransuilen vinden ook voldoende nestgelegenheid en voedsel.
Voor de algemenere weidevogels als de kievit, grutto en scholekster zijn de graslanden wat te ruig en te ongelijk om als optimaal broedgebied te dienen (ze broeden er in kleine aantallen), maar in het voorjaar staan er groepen van honderden exemplaren met hun poten in het ondiepe water bij te komen van de lange reis uit het zuiden. De ruige en natte graslanden worden juist wel op prijs gesteld door de zogenaamde kritische weidevogels: kemphaan, watersnip, zomertaling en tureluur.
Meer dan 100 soorten van de ongeveer 260 Nederlandse broedvogels staan op de inventarisatielijst. In het winterhalfjaar komen daar nog een groot aantal soorten bij. Beroemd zijn de duizenden smienten, die hier komen overwinteren. Overdag dobberen ze op de plassen en 's nachts zoeken ze voedsel op de graslanden, ook in de omgeving van het gebied. Iedere winter is de slechtvalk present, soms zijn ze zelfs met z'n tweeën. Hoewel Ackerdijk in de eerste plaats bedoeld is als vogelreservaat, zijn de wildernis en rust ook aantrekkelijk voor zoogdieren. 's Nachts jagen 7 soorten vleermuizen op insecten. De waterspitsmuis jaagt onder water op kleine diertjes. Een vaste gast in het gebied is de vos, wat niet door iedereen even gewaardeerd wordt.
Het beheer is dus in de eerste plaats gericht op vogels: zo groot mogelijke aantallen en van zo veel mogelijk verschillende soorten. Daarom willen we graag de variatie in biotopen behouden. Wanneer we niets zouden doen, zou het gebied snel dichtgroeien en een eentonig elzenbos worden. Het natuurlijke proces, met een moeilijk woord successie, moet dus worden tegengegaan. Dat kan de mens doen met behulp van maaimachines, maar dieren kunnen dat veel beter. Lange tijd is het grasland in de zomer begraasd door koeien en schapen van een boer, sinds een aantal jaren lopen er Galloway-runderen en Konik-paarden in het gebied. Zij zorgen met hun pleksgewijze grazen en het her en der laten vallen van hun mest voor veel variatie. Deze dieren zijn bestand tegen ons klimaat het hele jaar rond en hebben weinig verzorging nodig.
Dankzij het gevoerde beheer waren de natuurwaarden van het gebied tot de jaren '90 al sterk toegenomen, maar het kon toch nog beter. Waterplanten waren opvallend afwezig en de bagger kwam op veel plaatsen al boven het water uit. Water en bodems waren troebel en vervuild en hadden niet de kwaliteit die je mocht verwachten in een natuurgebied. De vissen die er rond zwommen waren voornamelijk brasems en karpers, een erfenis uit de tijd van de beroepsvisser. Dat zijn bodemwoelers die het water troebel maakten en een gezond plantenleven in de weg stonden. Een schoonmaakactie was dus hard nodig. Wat er moest gebeuren was het wegvangen van de bodemwoelende vissen en het wegbaggeren van de tienduizenden kubieke meters bagger. De bagger werd opgeslagen in depots in het terrein zelf, waar het kon uitdrogen en inklinken tot een fractie van het oorspronkelijke volume. De aanwezige lichte vervuiling werd in die tijd opgeruimd door de inwerking van zuurstof, zonlicht en bodemleven. Vrijwel direct waren de resultaten van het werk zichtbaar. Het water is helder geworden en vissen die op het oog jagen, zoals snoek en baars, zijn weer teruggekeerd. Tegelijk met het baggerwerk moest worden voorkomen dat vervuild en voedselrijk water opnieuw van buiten het gebied binnen zou stromen. Alle sloten zijn afgesloten met dammen en stuwen. Het terrein heeft een eigen zelfstandige waterhuishouding gekregen, met een natuurlijk waterpeil: in de winter hoog en in de zomer laag. Dit in tegenstelling tot landbouwgebieden waar 's zomers het peil hoger is om de gewassen goed te laten groeien.
Het gebied zelf is goed beschermd en redelijk veilig. Maar het moet geen eiland worden temidden van een verstedelijkte omgeving. Het heeft relaties met de omgeving: vogels die in het terrein broeden of overwinteren, gaan voedsel zoeken in de omgeving, denk maar aan de aalscholvers en de smienten. Andersom komen elders broedende vogels in Ackerdijk foerageren, bijvoorbeeld de lepelaars. Het gebied moet een schakel zijn in een reeks groene gebieden. Ecologisch verbonden zijn met andere gebieden. En juist in die verbindingszones zit het knelpunt. Die komen niet goed van de grond, terwijl de bedrijventerreinen en wegen steeds verder oprukken. Daarnaast zorgen de laag overvliegende kleine sportvliegtuigen voor veel verstoring. Vliegveld Zestienhoven ligt immers op een steenworp afstand. Maar toch is er zo veel mooie natuur te zien en te beleven in het gebied van de Ackerdijkse Plassen. Het bovenstaande verhaal geeft hiervan slechts een indruk.
U kunt zelf eens een kijkje nemen door mee te gaan met een excursie (iedere eerste zaterdag van de maand). Wel even naar de beheerder bellen om u daarvoor op te geven (010-4706403).
U kunt natuurlijk ook mee komen helpen met het onderhoudswerk wat vrijwilligers van NMP iedere zaterdagmiddag doen in het gebied (informatie 3697180). Een fietstocht of wandeling rond het gebied is altijd mogelijk. Verder is het niet vrij toegankelijk. Wel is er aan de Ackerdijkseweg recent een vrij toegankelijke vogelhut geopend met uitzicht op een van de plassen.
(Dit artikel is geschreven met behulp van het boek: "De Ackerdijkse Plassen, Vogeloase in de Randstad" ISBN 9068252380)klik hier om terug te keren