Natuurrubriek

De artikelen die Caroline Elfferich schrijft in de Telstar worden veel gelezen. Leuke, informatieve en persoonlijke verhalen over de natuur in de buurt van Pijnacker-Nootdorp.
Maar een krant, en zeker een huis-aan-huis-blad ligt snel bij het oud papier, denk ik zomaar.
Daarom is het leuk dat Caroline haar artikelen ook met NMP wil delen.
Regelmatig zal er een nieuw artikel geplaatst worden, dat eerder in Telstar heeft gestaan.


SNIPPEN EN EEN ROESJE

8 APRIL 2021

Roesje op boomstam, voorvleugel 20 millimeter (foto: Caroline Elfferich)

Eind januari stuurde Henk van der Salm mij een reactie op de natuurrubriek over watersnippen met een nachtvlinder als toegift…

Henk: “Bijna dertig jaar heb ik een hoveniersbedrijf gehad in Nootdorp. In de winter van 2018-2019 hebben wij driemaal een dode houtsnip gevonden in kleine tuinen. Eén van deze vogels vonden we in februari 2019 in Rijswijk, als incompleet geraamte met twee poten, inclusief een ring. Deze houtsnip was als jong geringd in oktober 2018, ongeveer 300 kilometer voorbij Moskou. Waarschijnlijk is de vogel tegen een raam gevlogen en daarna opgegeten door een kat.”

Een bijzondere vondst van Henk, want slechts een beperkt aantal geringde vogels wordt terug gevonden. Enkele weken nadat ik het bericht kreeg begon het te sneeuwen en te vriezen. Plotseling werden er in ons land veel meer houtsnippen gezien dan gewoonlijk. Vermoedelijk vluchtelingen uit het oosten van Europa vanwege de kou. In diezelfde periode werden er bij de Wildopvang in Delft veel hulpbehoevende houtsnippen gebracht. Aan Tessel de Jong, medewerkster van de Wildopvang, vraag ik of ze veel van de opgevangen snippen hebben kunnen loslaten.

Tessel antwoordt: “Tussen 1 januari en 12 maart 2021 hebben we 47 houtsnippen binnengekregen en 6 watersnippen. Best veel voor ons gevoel. Houtsnippen zijn dieren om hoofdpijn van te krijgen, want: 1) ze hebben vaak ernstige verwondingen en 2) het zijn slechte eters en 3) ze hebben snel last van stress, dus rustig verzorgen is er niet bij. We hebben een kwart van de houtsnippen weer vrij kunnen laten. De rest was er zo slecht aan toe dat we ze niet meer konden helpen.” Tot zover de houtsnippen.

Henk heeft nog iets anders te melden: “Naast tuinonderhoud hebben wij vaak bomen gekapt. In de winter gaan we de stammen kloven en opslaan om te drogen voor stookhout. Enkele dagen voor de jaarwisseling waren we hiermee bezig toen we een levende nachtvlinder tegenkwamen op een stuk hout. Op de website van de Vlinderstichting kon ik hem niet vinden. Heb jij een idee welke soort dit is?” Het is een roesje, een zeer algemene soort die als vlinder overwintert. Mijn moeder vond er ooit eentje dood op zolder. Soms proberen vlinders in woonhuizen te overwinteren, maar daar is het te warm en te droog voor ze. Toevallig vond ik afgelopen herfst in de voortuin een zwarte cocon die ik in een potje heb gedaan. Na enkele weken kwam er een roesje uit. De rupsen van het roesje eten bladeren van wilgen en populieren. De cocon lag onder de kronkelwilg, dus daar heeft de rups zich waarschijnlijk aan tegoed gedaan.


SNAVEL VERANDERLIJK VAN KLEUR

31 MAART 2021

Gele snavel van grote zilverreiger kleurt zwart in broedseizoen (foto: Peter Elfferich)

De snavel van een vogel vervult meerdere functies en verschilt per soort in vorm en kleur. De snavelkleur is veranderlijk en dat kan leiden tot verrassingen.

Afgelopen winter vertelde mijn vader: “Langs een sloot in de buurt van Pijnacker zag ik een zilverreiger met een gele snavel. Het postuur van de vogel kwam klein op me over. Ik vroeg me af: “Is dat een kleine zilverreiger?” Toen ik dat opzocht in onze vogelgidsen (Elsevier en Jonsson) zag ik dat de snavel van de kleine zilverreiger zwart is. Het moest dus wel een grote zilverreiger zijn. Echter, op de plaatjes in de Elseviers vogelgids is de snavel van de grote zilverreiger ook zwart. In de vogelgids van Jonsson staat dat de grote zilverreiger ’s winters een gele snavel kan hebben. Rare vogel dus, want waarom?”
In de omgeving van Pijnacker zie ik vaak grote zilverreigers. Die hebben altijd een gele snavel. Ik pak de Elseviers vogelgids uit de kast en zoek de zilverreigers op. Vol verbazing bekijk ik het plaatje van de grote zilverreiger met zwarte snavel. Naast het plaatje staat: ‘prachtkleed’. Dat verklaart veel! Tijdens het broedseizoen hebben veel vogels een prachtkleed om er op zijn paasbest uit te zien. De grote zilverreiger in prachtkleed heeft frivole sierpluimen op de rug en een zwarte snavel met gele snavelbasis. Na het broedseizoen vallen de sierpluimen uit en is de snavel weer geel.
In de omgeving van Pijnacker broeden geen grote zilverreigers. Het is dus niet zo verwonderlijk dat ze hier nooit in prachtkleed te zien zijn. De grootste kolonie in Nederland ligt in de Oostvaardersplassen. In topjaren gaat het om circa 150 broedparen. In de wintermaanden komen grote zilverreigers uit het oosten van Europa naar Nederland om hier te overwinteren. Enkele jaren geleden schatte men het aantal op 2500 individuen. Op een slaapplaats in de Ackerdijkse plassen zag ik eens in de ochtendmist enkele tientallen grote zilverreigers opvliegen uit de donkere silhouetten van zwarte elzen. Een sprookjesachtig tafereel.
Als je in de Engelse versie van Wikipedia zoekt onder ‘beak’ dan is daar een uitleg te vinden hoe de snavel van kleur kan veranderen. De snavel bestaat uit twee skeletdelen. Daarop zit een dunne huidlaag met bloedvaten, die een ‘rhamphotheca’ vormt. Dat is een laag stevig weefsel opgebouwd uit keratine: het eiwit waar ook nagels en haren uit bestaan. De rhamphotheca groeit altijd door en slijt voortdurend af aan de punt door gebruik. Pigmenten in deze en onderliggende lagen bepalen de kleur van de snavel.


VOCHT LANGS DE STAM

24 maart 2021

Knotwilg met gaatje waar water uitloopt (foto: Caroline Elfferich)

Begin februari krijg ik van Peter van der Drift enkele foto’s van de knotwilgen in zijn tuin aan de Veenweg in Nootdorp. Hij heeft een merkwaardig verschijnsel opgemerkt…

Peter: “Wat mij opviel waren ronde gaten in de stam van enkele knotwilgen. Uit die gaten liep veel vocht dat langs de stam naar beneden droop. Ik heb hier geen verklaring voor en het is mij eerder niet opgevallen. Het zou volgens mij zeker de moeite waard zijn om deze oer-Hollandse boom eens ‘Onder de Loep’ te nemen.”
Het verschijnsel komt mij ook niet bekend voor en ik heb er evenmin een verklaring voor. Ik stuur het bericht door naar bomenkenner Jaap Smit en wilgenknotter Truus van der Hulst. Hun reacties:
Jaap: “Waarschijnlijk verzamelt zich water in de kruin van de knotwilg. Daar zitten meestal allemaal rottende delen, zoals dat hoort bij een knotwilg. Misschien hebben insecten een gang naar buiten geboord en komt daar nu het water naar buiten. Het zou ook kunnen dat op de plek waar nu water naar buiten komt, ooit een tak zat, die inmiddels is weggerot. Dit alles hoort bij het mooie verouderingsproces van knotwilgen, dat flora en fauna tijdelijk onderdak biedt. Om het bestand divers van leeftijd te maken kun je na het knotten eens een jonge sliet in de grond prikken en daaruit een vervangende knotwilg laten ontstaan. Niet allemaal in een keer, maar bijvoorbeeld na iedere keer knotten één.”
Truus: “Ik heb al heel wat knotwilgen in mijn leven gezien, maar dit verschijnsel is zeker niet algemeen. Doordat de schrijver spreekt over wat er allemaal in de knotwilgen groeit, zal er waarschijnlijk sprake zijn van interne vermolming van de knotwilg. En het lijkt mij voor de hand te liggen dat door de vele regen van de laatste tijd de knot, een soort kom, veel water verzamelt. Dat vele water zal dan in de holle stam zijn uitweg moeten vinden en op een doorlatende plek in de stam komt het naar buiten lopen. Er zit namelijk geen mooi afwateringssysteem in een boom, zoals een regenpijp aan onze huizen.”
De verklaringen van Jaap en Truus zijn eensluidend en overtuigend. Peter vraagt of de gaatjes in de stam gemaakt kunnen zijn door wilgenhoutrupsen. Ik ga ter plekke kijken. Rupsengaatjes zitten voornamelijk laag in de stam en hebben een diameter van circa één centimeter. De gaten in de knotwilgen van Peter zitten meestal hoger in de stam en ze zijn zeer variabel van vorm en formaat. Het ziet er niet uit als rupsengaatjes. Ook elders zie ik nu overal knotwilgen waar water uitloopt. Vaak zie je een natuurverschijnsel pas als iemand je erop attent maakt…


RODE EN GELE KORNOELJE

10 MAART 2021

Gele kornoelje bloeit vroeg in het jaar op het kale hout (foto: Caroline Elfferich)

Naast de flat aan de Anne Franklaan in Pijnacker staan enkele grote struiken. Eind februari verkleuren ze helemaal geel door een overdaad aan kleine gele bloemetjes die aan het kale hout verschijnen.

Als je naar de flat toeloopt vanuit het Klapwijkpark, dan zie je de knalgele struiken al van verre. Het zijn gele kornoeljes. Voordat ik in Klapwijk kwam wonen had ik nog nooit bewust een gele kornoelje gezien. Deze inheemse struiken zijn vrij zeldzaam in Nederland. Van nature komen ze vooral in Limburg voor, maar gekweekte exemplaren kunnen overal in het hele land worden aangetroffen. In Klapwijk zijn ze op enkele plekken aangeplant in bosplantsoenen.
Enkele jaren geleden liet mijn man mij een foto zien van een struik waar een bescheiden aantal grote glanzende rode bessen aan zaten. Hij had de struik in Rotterdam gefotografeerd en was benieuwd om welke soort het ging. De vruchten kwamen me niet bekend voor. Desgevraagd liet bomenkenner Jaap Smit weten dat gele kornoelje zulke vruchten produceert. Meteen daarna ben ik gaan kijken bij de struiken aan de Anne Franklaan. Warempel… daar zaten ook enkele van die rode bessen aan! Ze vielen nauwelijks op tussen de bladeren. In de Nederlandse Oecologische Flora valt te lezen dat de bessen van gele kornoelje vroeger werden gebruikt om compote van te maken. Als er onvoldoende bestuivende insecten rondvliegen in de periode dat ze bloeien dan produceren ze weinig bessen. De struiken schijnen zich niet zo succesvol te verspreiden door middel van vruchten. Geen wonder dat ze vrij zeldzaam zijn in het wild.
De gele kornoelje ken ik nu ongeveer twintig jaar. Al veel langer ken ik de rode kornoelje. Het rood in de naam verwijst in dit geval niet naar de kleur van de bloemen, maar naar de kleur van de jonge twijgen. Vooral in de winter, als er geen bladeren aan de struiken zitten, vallen die rode takken op. Vriendin Truus vroeg enkele jaren geleden of ik groeiplaatsen kende van de Gelderse roos. Naar aanleiding van die vraag ben ik langs diverse bosplantsoenen in Pijnacker gewandeld. De Gelderse roos kwam ik slechts op enkele plekken tegen, maar bij deze speurtocht viel het me op dat er zoveel rode kornoelje groeit in de plantsoenen. Ook in mijn eigen tuin is spontaan een rode kornoelje opgedoken aan de voet van de krentenboom. Daar heb ik die struik zeker niet geplant. Vogels eten de bessen van rode kornoelje en verspreiden de zaden die er in zitten met hun poep. In tegenstelling tot de zaden van de gele kornoelje, zijn die van de rode kornoelje zeer succesvol.


IJSVOGELS IN JANUARI

3 MAART 2021

Een ijsvogel vrouwtje heeft een oranje onder-snavel (Foto: Wim Priem)

Het is altijd een traktatie om een ijsvogel te zien. Het verenkleed is uitgevoerd in aantrekkelijke complementaire kleuren: warm oranje buik en donkerblauwe vleugels. De turquoise rug licht op als ze langs vliegen.

De vlucht van een ijsvogel is weinig elegant: in horizontale lijn recht vooruit als een speer. Niet zo verwonderlijk, want ze hebben een zwaar lijfje en kleine vleugels. Het zijn krachtvliegers. Ze moeten voortdurend met hun vleugels fladderen om niet neer te storten. Een zweefvluchtje kunnen ze zich niet permitteren. Wereldwijd zijn er tientallen soorten ijsvogels bekend. In Nederland komt slechts één ijsvogelsoort (Alcedo atthis) voor. Deze soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied, dat loopt van Ierland tot Japan. Er worden acht ondersoorten onderscheiden, die enigszins van elkaar verschillen in uiterlijk en de plek waar ze voorkomen.

In januari heb ik driemaal een ijsvogel gezien in Pijnacker. De eerste zag ik aan de Vlielandsweg in een boomgaardje, verscholen achter de huizen. Een beetje ver weg, maar duidelijk te herkennen. Een week later maakte David Dilling mij attent op een ijsvogel, die in de struiken zat op een eilandje in de vijver aan de Corrie Vonklaan. Tussen de takken van rode kornoelje zat het juweeltje zich minutenlang te poetsen. Ondertussen maakte David foto’s en filmpjes (te vinden op YouTube, Pijnacker01). De volgende dag stuurt Nel Giorgi mij een foto van een ijsvogel, genomen op dezelfde plek.

Eind januari wandelde ik in Rietlanden. Er stond een ijzig koude wind en opeens meende ik de heldere roep van een ijsvogel te horen. Aandachtig heb ik om mij heen gekeken en alle struikjes langs de waterkant geïnspecteerd, maar de vogel liet zich niet zien. Later op de dag ging ik terug met mijn echtgenoot, Hij had dit jaar nog geen ijsvogel gezien. Het duurde niet lang of daar kwam de blauwe schicht waar wij op hoopten tussen de huizen doorsnorren. Tevreden gingen we terug naar huis.

Ook van andere mensen krijg ik bericht dat ze ijsvogels zien in de omgeving van Pijnacker. Zo schreef Rik van Hazendonk uit Delfgauw: “Die ijsvogel heeft ons wel te pakken. Het wilgenpad langs de oude vuilstort, van de Noordeindseweg naar Ikea, heet bij ons het IJsvogelpad… Regelmatig vliegt die voor ons uit, van de ene laaghangende tak naar de volgende drie bomen verder.”

In de winter worden vaker ijsvogels gezien dan in de zomer, maar dat wil niet zeggen dat deze viseters goed bestand zijn tegen vorst. Als het een langere periode streng vriest legt het merendeel van de populatie het loodje.


DE ZEGWAARDLOCATIE

24 FEBRUARI 2021

De vegetatie op de Zegwaardlocatie moet wijken voor woningbouw (foto: Michel Barendse)

In de tweede week van februari is de Zegwaardlocatie in Pijnacker op de schop gegaan. De vegetatie die er stond is verwijderd om plaats te maken voor woningbouw.

De Zegwaardlocatie ligt tussen het spoor en de wijk Akkerlanden. Het terrein was begroeid met bomen, struiken, riet en veel andere planten. De grotere bomen groeiden vroeger rond de boerderij van boer Zegwaard. Het land van deze boer lag aan de overkant van het spoor, op de plek waar nu de wijk Keijzershof ligt. Daar graasden zo’n twintig jaar geleden nog zijn koeien. Op de plek van de boerderij had men kantoren gepland. Omdat daar geen interesse voor was heeft de gemeente van de bouw afgezien.
Persoonlijk vind ik het heel spijtig dat de weelderige vegetatie op de Zegwaardlocatie verloren is gegaan. In de omgeving van Pijnacker worden zulke ruige natuurgebiedjes steeds zeldzamer. Wat zou Michel Barende, voormalig ecoloog van de gemeente, ervan vinden? Op 10 februari komt hij op bezoek om erover te praten. Michel: “Ik vind het ook doodzonde dat de vegetatie op de Zegwaardlocatie verloren is gegaan, maar dat is van tevoren zo afgesproken. Een jaar of tien geleden las ik het rapport ‘Tijdelijke natuur, permanente winst’ en dat vond ik inspirerend. Regelmatig ligt grond een aantal jaren braak. Je kunt zo’n terrein egaliseren en inzaaien met gras, maar je kunt ook de natuur zijn gang laten gaan. Dan krijgen wilde planten- en diersoorten de kans om zich daar voort te planten. Van daaruit kunnen deze planten en dieren nieuwe locaties koloniseren.”
Wat Michel vertelt roept gemengde gevoelens bij me op. Waarom zou je de natuur zijn gang laten gaan om daarna alles wat zich heeft ontwikkeld te verwoesten? Alsof je jaren werkt aan een kunstwerk, dat daarna in enkele ogenblikken wordt vernietigd. Maar ik moet ook denken aan de fitissen die de afgelopen jaren hebben gebroed op de Zegwaardlocatie. Deze vogels nestelen op de grond tussen jong struweel. Als ze terugkomen uit hun overwinteringsgebied moeten ze op zoek naar een nieuwe locatie om te broeden. Dat doen ze echter sowieso al elk jaar, want jong struweel veroudert nu eenmaal. Natuur is voortdurend in verandering.
Michel: “Het was een heel gedoe om dit soort tijdelijke natuur te realiseren. Van tevoren moesten we ontheffingen aanvragen voor alle diersoorten en plantensoorten die zich in de tussentijd zouden kunnen vestigen. Zo hoeven er geen compenserende maatregelen te worden getroffen als deze soorten opduiken. Voorgenomen bouwactiviteiten kunnen dan zonder vertraging plaatsvinden.”


ROERDOMP BIJ STRENGE VORST

17 FEBRUARI 2021

Roerdomp sluipt langs rietkraag (foto: Gerard de Hoog)

Het is 14 februari en de zon schijnt. Er ligt sneeuw op het land en de sloten zijn bedekt met ijs. Waarschijnlijk is het voorlopig de laatste dag met winterse temperaturen.

Mijn man en ik besluiten een wandeling te maken. Hier en daar is het spekglad op paden en wegen, maar we bereiken zonder problemen de Groenzoom. Als we langs een brede rietkraag wandelen moet ik denken aan de roerdomp die hier vorig voorjaar een aantal weken zat te roepen. Deze bruine reigersoort heeft een bijzondere roep: een luid en hol ‘WHOEMP’, dat honderden meters ver nog hoorbaar kan zijn. Een vogelaar, die aan de Hannie Schaftsingel in Klapwijk woont, hoorde soms de roerdomp bij gunstige wind.
Een roepende roerdomp hoor je vrijwel nooit in de omgeving van Pijnacker. Ze laten alleen in het voorjaar van zich horen op plekken waar ze van plan zijn te gaan broeden. Destijds wilde ik in de natuurrubriek aandacht besteden aan dit zeldzame verschijnsel. Aan Gerard de Hoog had ik een foto van een roerdomp gevraagd, maar uiteindelijk heb ik van publicatie afgezien. Er kwamen al veel belangstellenden kijken en luisteren, hetgeen leidde tot ongewenste drukte in coronatijd. Het zorgde bovendien voor verstoring van de roerdomp. Men wilde die rare roeptoeter dolgraag zien. Sommigen liepen daarvoor zelfs de rietkraag in. Doodzonde als een broedpoging van een schuwe vogel door onbeschaafde nieuwsgierigheid wordt verijdeld.
De prachtige roerdompfoto van Gerard staat sindsdien ongebruikt op mijn computer. Al tientallen jaren stelt Gerard belangeloos vogelfoto’s beschikbaar ter illustratie van mijn vogelverhalen. Daar ben ik hem heel dankbaar voor. Een mooi plaatje is mijns inziens onmisbaar bij een praatje. We kennen elkaar uit de tijd dat we beiden in het bestuur van de Natuur- en Milieubescherming Pijnacker zaten, inmiddels ruim dertig jaar geleden. Afgelopen week stond er in de Telstar een interview met Gerard en zijn vriendin Marleen, want ze gaan naar Drenthe verhuizen.
In dezelfde krant las ik een verhaal van Nic van Winden over de winter van ‘56, waarin een roerdomp een belangrijke rol speelt. Gewoonlijk laten roerdompen zich zelden zien. Ze zijn uitstekend gecamoufleerd en zitten altijd in dichte rietkragen. Als je geluk hebt zie je er eentje langs vliegen. Maar in de winter, als het streng vriest, dan worden ze vaker gezien. Onder zulke omstandigheden hebben ze het heel moeilijk, want ze kunnen geen visjes vangen als er ijs ligt. Ze zijn dan genoodzaakt hun schuilplekken te verlaten en verschijnen op plekken waar ze zich anders nooit zouden vertonen.


HET SCHOTELROMMELTJE

10 FEBRUARI 2021

Uit elkaar gevallen nestje van rosse metselbij (foto: Caroline Elfferich)

Insecten kunnen kunstige bouwsels maken als onderkomen voor zichzelf en/of hun nageslacht. Daarbij maken ze gebruik van allerlei materialen, zoals: zand, klei, was, zijde of plantaardig materiaal.

Een poosje geleden duwde vriendin Truus mij een goud omrand schoteltje in de hand, waar een grotendeels vergaan knutselwerkje op lag van grijze klei. Het stond al geruime tijd bij haar in de vitrinekast en ze vroeg zich af wat voor knutselwerkje het was. Waar en wanneer ze het had gevonden wist ze niet meer zo goed, het stond al heel lang in de kast. Zo op het eerste gezicht doet het mij denken aan de restanten van een insectenbroedsel, bijvoorbeeld het nestje van een metselbij.
Met schotel en al krijg ik het studiemateriaal mee naar huis. Enkele dagen later bekijk ik de grijzige restanten met de stereomicroscoop. Het is inderdaad een nestje van een metselbij. De vrouwtjes van metselbijen maken nestcellen van klei in natuurlijke holletjes of bijenhotels. Ze vullen de nestcellen met een stuifmeelklompje en een ei. Enkele nestcellen zijn nog gedeeltelijk intact. In de meest complete cel zit een flinke stuifmeelklont: het voedsel voor de bijenlarve. Er zijn ook nog allerlei onderdelen van de bijtjes zelf te zien tussen de kleiresten.
In Nederland leven meerdere soorten metselbijen. De rosse metselbij ken ik het best, die bezoekt wel eens onze tuin. In de Basisgids wilde bijen van Pieter van Breugel vind ik enkele kenmerken van het nestje van de rosse metselbij. Die komen goed overeen met mijn studiemateriaal. Zo hebben de poppen een donzig ‘mutsje’. Mijn man ontdekt tussen de restanten een kopje van een bij, met een grijze ‘snor’. Het is mijns inziens de kop van een mannetje rosse metselbij. Ik stuur een foto en mijn bevindingen naar Pieter van Breugel. Zijn reactie: “Jouw diagnose klopt helemaal. Alleen dat donzige mutsje zit niet aan de pop, maar aan de cocon waar de pop of het volwassen bijtje in zit.”
Als ik Truus informeer over de onderzoeksresultaten schrijft ze terug: “Wat bijzonder dat je het schotelrommeltje hebt kunnen thuisbrengen. Wat fijn toch dat je echte kenners per onderwerp hebt, die je diagnose kunnen bevestigen. Zo word jij steeds wat knapper en daar profiteren anderen weer van. Rosse metselbij, ik vind de detailopnames erg mooi, wat is er veel te zien aan zo’n schoteltje ongeregeld. Wel jammer dat ik echt niet meer weet waar het vandaan komt.” In dit geval maakt het niet zoveel uit dat vindplaats en vinddatum onbekend zijn, maar bij natuurstudie is deze informatie vaak onontbeerlijk.


SNOEK GESPIETST

27 JANUARI 2021

Blauwe reiger heeft snoek aan snavel gespiest. (foto: Ben Jansen)

Snoeken zijn geduchte roofvissen: torpedovormige spierbundels met een grote bek vol scherpe tanden. Maar jonge snoeken zijn hun leven niet zeker….

Een aantal jaren geleden ontmoette ik op het Vrouwenrecht in Pijnacker een kleine jongen die iets vasthield in zijn gesloten hand. Aan zijn lichaamstaal zag ik dat hij iets bijzonders in zijn vuistje gevangen hield. Toen ik vroeg wat hij gevonden had opende hij voorzichtig zijn hand. Daar zag ik een piepklein snoekje, niet veel langer dan vijf centimeter. Het visje leefde nog en hapte naar adem. Ik probeerde de jongen ervan te overtuigen dat hij het visje snel in het water moest doen, omdat vissen boven water geen adem kunnen halen. Hij keek me argwanend aan en liep weg.
Onlangs kwam ik op een brug aan het Vrouwenrecht een visser tegen, die een snoek van circa twintig centimeter aan de haak had geslagen. Ik ging erheen om de snoek te bewonderen. Terwijl hij de vis vakkundig van de haak haalde vertelde hij dat er in de singel veel grotere snoeken leven. Het Nederlands record staat op 138 centimeter. Maar die grote kanjers zijn door ervaring wijs geworden en bijten niet meer zo snel in de fraaie kunstvisjes vol vervaarlijke haken waarmee vissers ze proberen te vangen. Vroeger werden levende visjes aan de haak gedaan om snoeken te vangen, maar dat is tegenwoordig verboden.
Snoeken liggen doorgaans doodstil op de loer tot er een prooi voldoende dichtbij komt om te grijpen. Dan schieten ze erop af als een pijl uit de boog. Het zijn zichtjagers, die hun ogen gebruiken om prooien op te sporen. In erg troebel water kunnen ze minder goed jagen. Op de website van RAVON lees ik dat de snoek tot de algemeenste vissoorten van Nederland wordt gerekend, maar dat wil niet zeggen dat ik ze vaak zie.
Een muskusrattenvanger vertelde mij eens dat snoeken flinke afstanden kunnen zwemmen. Daar moeten ze rekening mee houden bij het plaatsen van muskusrattenvallen, opdat er geen snoeken in belanden als ongewenste bijvangst. Snoeken verplaatsen zich voornamelijk voorafgaand aan de paaitijd, dus als ze zich willen voortplanten. Ze zoeken dan naar geschikte paaiplaatsen: ondiepe begroeide oevers of ondergelopen weilanden. De paaitijd loopt van februari tot mei.
In januari krijg ik onverwacht een foto toegestuurd van Ben Jansen, waarop een blauwe reiger is te zien die een snoek heeft gespiest. Ben zag het gebeuren aan de Noordkade in Pijnacker. De vis werd niet ter plekke opgeslokt, de reiger vloog ermee weg. De snoek was naar schatting veertig centimeter lang.


OVER PADDENSTOELEN EN BOSBEHEER

20 JANUARI 2021

Gewone zwavelkop in spiegelbeeld (foto: Bill Britt)

Paddenstoelen kunnen op allerlei plekken spontaan opduiken: in grasvelden, op houtsnippers of op dode bomen. Ze groeien altijd op hun voedsel, maar dat is soms aan het zicht onttrokken…

Half december krijg ik enkele foto’s van paddenstoelen toegestuurd van Bill Britt. Hij fotografeerde ze in zijn voortuin en is benieuwd om welke soort het gaat. Paddenstoelen determineren is vaak moeilijk, maar ik wil wel een poging wagen. De zwammen zijn van bovenaf gefotografeerd en zien er nogal onregelmatig uit. Ik vraag Bill of hij met behulp van een spiegeltje een foto zou kunnen maken van de onderkant van de paddenstoelen. Misschien is daar wel een rokje te zien of een ander frivool detail. Niet veel later ontvang ik de gevraagde foto. Alsnog kom ik er met mijn paddenstoelengidsen niet uit. De algehele vorm doet mij nog het meest denken aan een trechterzwam.
Hoog tijd om advies te vragen aan paddenstoelenkenner Eef Arnolds. Als ik hem de foto stuur met vindplaats en datum krijg ik al snel de volgende reactie: “De foto’s die je me stuurde zijn wat misvormde exemplaren van de gewone zwavelkop. Belangrijk zijn de geelachtige lamellen die later door sporen zwart worden. Trechterzwammen hebben witte plaatjes en sporen. Ze groeien ook nooit in bundels, zoals op de foto. Zwavelkopjes groeien altijd op hout. In dit geval zit het hout onder de grond, bijvoorbeeld: wortels van een gerooide boom. Maar het kan ook afvalhout zijn. Ik heb de soort bij mij wel eens gevonden op een gebroken hekkenpaal die een halve meter onder de grond zat.”
Aha! Gewone zwavelkoppen, die heb ik wel eens eerder gezien! Maar ik wist niet dat ze zich tot zulke grote grillige zwammen kunnen ontwikkelen en in een grasveld had ik ze niet verwacht. Bill bevestigt dat de paddenstoelen groeiden op de ondergrondse restanten van een boom: een oude wilg die in 2014 is gerooid. Een duidelijk voorbeeld van paddenstoelenvoedsel dat je niet zo direct opmerkt.
Als toegift stuurt Eef mij informatie die niet gaat over zwavelkopjes, maar over een ander onderwerp waar hij zich als natuurliefhebber zorgen over maakt: het bosbeheer in Nederland. Hij is betrokken bij de voorbereiding van de Bossenstrategie, een beleidsnota van het ministerie van LNV. Deze nota wordt half januari in het parlement behandeld. Volgens Eef is het een vrijbrief voor de vernietiging van bestaand bos op kosten van de belastingbetaler. Op zijn website valt meer te lezen over het ‘Bos voor de toekomst’ (https://schepping.org/bossen/). Begin januari laat hij me weten dat hij bezig is met een alternatieve bossenvisie.


BRANDGANS MET VOGELGRIEP

13 JANUARI 2021

Groepje gezonde brandganzen in een weiland (foto: Peter Elfferich)

Een maand of twee geleden dobberde er in een slootje bij de Overgauwseweg een eenzame brandgans met afhangende vleugels. De vogel zag er lusteloos uit en bewoog vreemd met de kop.

Aan het verenkleed was zichtbaar dat het een jonge brandgans betrof. Vermoedelijk ging het om een in Nederland overwinterende vogel, die in 2020 in Rusland uit het ei is gekropen. De brandgans zag er ziek uit, dus heb ik de Dierenambulance gebeld. Enkele dagen later heb ik nagevraagd hoe het met de gans is gegaan. De medewerker van de Dierenambulance vertelde dat de brandgans waarschijnlijk vogelgriep had. Ze hebben een filmpje gemaakt van de zieke gans, waarmee ze hun medewerkers kunnen laten zien waar ze op moeten letten bij een vogel met verschijnselen van vogelgriep. De gans is daarna naar de Wildopvang in Delft gebracht
Na het gesprek met de Dierenambulance neem ik contact op met Willeke van den Heuvel van Wildopvang Delft. Ze laat weten dat de brandgans is ingeslapen en voor nader onderzoek opgestuurd naar het Dutch Wildlife Health Centre. December 2020 krijg ik de uitslag van het onderzoek: “Het WBVR (Wageningen Bioveterinary Research) heeft in de brandgans genetisch materiaal aangetoond van het hoog-pathogene vogelgriepvirus, Typering: H5N8HP.” In het NRC van 21 november las ik in een artikel van Gemma Venhuizen dat ‘hoog pathogeen’ betekent dat het virus een ernstig ziektebeeld oplevert in kippen. Het zegt dus niets over de schadelijkheid voor andere diersoorten, zoals de mens.
Als ik Willeke in december vraag of er veel vogels met vogelgriep in de Wildopvang zijn aangeleverd, antwoordt ze: “Er zijn dit najaar drie vogels met vogelgriep gebracht. De meeste vogelgriepslachtoffers die nog leven worden nu direct door dierenambulances naar dierenartsen gebracht en dode vogels worden direct geruimd. Hierdoor krijgen wij er op het moment geen meer binnen in de Wildopvang. Op de website van het NVWA kun je zien dat vogelgriep in onze regio vrij veel voorkomt. En niet alleen bij brandganzen. Op het moment zijn er ook veel roofvogels besmet die de dode zieke vogels opeten. Daarom zijn wij extra alert op alles wat binnen komt. We hebben voor de opvang een tent staan, onze ‘quarantent’, waar verdachte vogels in geplaatst worden, om te voorkomen dat vogels in de opvang besmet raken.”
Tot slot enkele adviezen. Raak zieke of dode vogels niet aan en let ook op dat honden dit niet doen. Als je een zieke vogel aantreft: bel de Dierenambulance of Wildopvang Delft (015–2157838). Voor het ruimen van dode vogels: neem contact op met de gemeente.


WATERSNIPPEN IN ACHTERTUIN

7 januari 2021

Watersnippen in tuin (foto: Noël Landman), watersnip inzet (foto: Gerard de Hoog)

In Nederland komen drie soorten snippen voor: houtsnip, watersnip en bokje. Deze vogels hebben een fraai verenpakje met allerlei bruine en gele tinten. Hierdoor zijn ze uitstekend gecamoufleerd tussen vegetatie of dorre bladeren.

Dankzij hun camouflage en heimelijke gedrag zijn snippen moeilijk te vinden. Het bokje is de kleinste en zeldzaamste van de drie. Slechts enkele malen heb ik er eentje in een flits gezien. De houtsnip is de grootste snip. Ze broeden in bossen, maar in de trektijd duiken ze regelmatig op in de bebouwde kom. In de Wildopvang Delft heb ik vaak houtsnippen gezien die tegen een raam waren gevlogen. Eenmaal heb ik daar een watersnip in de hand gehad. Die was veel kleiner dan een houtsnip en ook veel kleiner dan ik mij had voorgesteld. De snavel van beide soorten is ongeveer even lang: acht centimeter. Ze prikken ermee in zachte bodems op zoek naar voedsel.
Vlak voor de kerstdagen kreeg ik een foto toegestuurd van Noël Landman met daarbij de tekst: “Vanmorgen zagen wij in onze tuin in Nootdorp zo’n tien tot twaalf vogels. We hebben een foto genomen vanaf de eerste verdieping. Later vonden we op internet dat het waarschijnlijk om watersnippen gaat. We gaan een serre aanbouwen, vandaar dat een deel van de tuin is omgespit. Heeft het daarmee te maken dat er zoveel bij elkaar zaten? En is dit een zeldzame soort?”
Met verbazing bekijk ik de foto. Het is de eerste keer dat ik watersnippen zie in een achtertuin. Ze vallen vooral op door de gele lengtestrepen op hun rug. Die strepen dragen gewoonlijk bij aan hun camouflage in de open drassige terreinen met veel dor gras, waar ze broeden en overwinteren. Noël vraagt zich af of de watersnippen zijn aangelokt door de omgespitte grond. Dat zou best kunnen, want ze zoeken voedsel op kale braakliggende grond en daar zullen ze dus eerder neerstrijken dan in een boom of op een terras. Buiten het broedseizoen leven watersnippen in grotere of kleinere groepen. Het is dus niet verwonderlijk dat er meerdere tegelijk in de tuin van Noël zijn geland. Misschien is het een familiegroepje.
Als watersnippen opvliegen of overvliegen laten ze vaak een karakteristiek ‘neuzig’ roepje horen. Wanneer je dat roepje leert herkennen dan krijg je ze vaker te zien. Watersnippen zijn zeldzame broedvogels in Nederland, het gaat om circa 1200 broedparen. In herfst en winter is het aantal ruim tienmaal zo groot (ca. 15.000). Ze verblijven dan ook in grotere aantallen in de omgeving van Pijnacker en Nootdorp. Goed opletten dus tijdens de tuinvogeltelling eind januari!


SCHILDPADDEN KUNNEN GOED TEGEN KOU

23 december 2020

Een geelbuik- en een roodwangschildpad (foto: Raymond van der Ham)

In het Nederlandse oppervlaktewater leven verschillende soorten exotische moerasschildpadden. Het gaat om vrijgelaten huisdieren, waarvan de voorouders uit Midden- en Zuid-Amerika komen.

In het voorjaar van 2020 zag ik in de Groenzoom een zonnebadende moerasschildpad. Het was lang geleden dat ik zo’n reptiel in de gemeente Pijnacker zag. Ik kreeg dit jaar nog twee andere meldingen uit de omgeving. Zo ontdekte Bou van der Ham op 23 mei twee schildpadden langs de Pijnackerse vaart: een roodwang en een geelbuik.
De andere waarneming kwam op 8 augustus van David Dilling, een dorpsgenoot die regelmatig natuurfilmpjes plaatst op internet onder de naam: Pijnacker01. David: “Bij het verlaten van Klapwijk via de Klaproostunnel, kwamen we twee relatief grote roodwangschildpadden tegen in een kleine vijver. Ze waren erg verlegen en doken in het water toen we dichterbij kwamen. Dit gebeurde tweemaal, op verschillende dagen. Ik vind het niet erg dat ze daar zijn, best gaaf zelfs, maar ze horen hier in Europa eigenlijk niet thuis.”
In 2009 heb ik voor de Telstar een stukje geschreven over moerasschildpadden. Destijds zag ik ze naar mijn idee vaker dan de afgelopen jaren. Zouden ze goed tegen vorst kunnen? Ik vraag het aan Jelger Herder van Stichting RAVON. Zijn antwoord: “De schildpadden kunnen heel goed tegen de kou. In hun natuurlijke leefgebied is het een landklimaat met nog veel koudere winters. Het wordt juist problematisch als ze zachte kwakkelwinters hebben. Dan is het te warm om in winterslaap te blijven en te koud om lekker actief voedsel te kunnen zoeken.”
Jelger: “De lettersierschildpadden staan sinds 2016 allen op de ‘Unielijst’ van invasieve exoten en mogen niet meer verkocht of verhandeld worden. Omdat ze zich tot op heden niet succesvol voortplanten in Nederland is de verwachting dat ze langzaam uitsterven. Maar individuen kunnen heel oud worden en overleven prima in ons klimaat. Wij volgen met het ‘Meetnet Lettersierschildpad’ of ze ook werkelijk afnemen en zich dus niet door voortplanting in stand houden.”
De naam ‘lettersierschildpad’ hoor ik voor het eerst. Dit blijkt de gezamenlijke soortnaam te zijn voor drie ondersoorten: geelbuik-, geelwang- en roodwangschildpad. Mensen die een bijdrage willen leveren aan het Meetnet Lettersierschildpad, door op een vaste plek schildpadden te tellen, kunnen zich hiervoor aanmelden via de website van RAVON. Daar is ook de onlangs verschenen RAVON-Balans te vinden, met een artikel over lettersierschildpadden en hun aantalsontwikkeling vanaf 1975.


NIERVLEKLIEVEHEERSBEESTJES

16 December 2020

Foto’s: Niervleklieveheersbeestje: 1) larve 2) poppen/voorpoppen 3) kever (foto’s: Caroline Elfferich)

Begin november zitten er in onze klimkardinaalsmuts opvallend veel zwarte lieveheersbeestjes van ongeveer vijf millimeter lang, met twee rode vlekjes op de dekschilden. De soort is mij onbekend.

Enkele jaren geleden vielen deze lieveheersbeestjes me ook al op in de klimkardinaalsmuts (Euonymus fortunei ‘Emerald Gaiety’), maar toen heb ik er verder geen aandacht aan besteed. Nu ze opeens zo talrijk zijn geworden ben ik benieuwd wat ze daar uitspoken tussen het gebladerte. Na enig zoeken vind ik tientallen kevertjes en ook veel larven en poppen, die vrijwel zeker tot dezelfde soort behoren. De struik blijkt bovendien stampvol schildluizen te zitten. Het zou me niet verbazen als dit het favoriete voedsel is van deze lieveheersbeestjes…
In Nederland komen ruim zestig soorten lieveheersbeestjes voor, die flink van elkaar verschillen wat betreft kleur en formaat. Iedere soort heeft een bepaalde voedselvoorkeur. Meerdere soorten eten bladluizen, maar er zijn ook soorten die voornamelijk schildluizen, wolluizen, planten of schimmels consumeren. De luizen-etende lieveheersbeestjes worden soms in de tuinbouw uitgezet als biologische bestrijders. Zouden de kevertjes in onze klimkardinaalsmuts de schildluizen effectief bestrijden? Ik ben benieuwd, maar het lijkt er vooralsnog niet op.
Eerst maar eens opzoeken om welke soort het gaat… Op de website van EIS-Kenniscentrum-insecten zijn voor een aantal insectenfamilies ‘Soortzoekers’ te vinden: een hulpmiddel om insecten te determineren. Al snel kom ik met de Soortzoeker uit op het niervleklieveheersbeestje. Deze soort lijkt sprekend op de kevers in onze struik. Ze blijken schildluizen te eten, dus dat klopt ook. Het is in Nederland een vrij algemene soort, die vooral op wilgen en essen leeft.
De larven van niervleklieveheersbeestjes hebben forse, vertakte stekels. Dit komt vaak voor bij de larven van lieveheersbeestjes. Net als bij egels bieden de stekels bescherming tegen vijanden. Ik heb een keer gezien dat een spin een stekelige larve probeerde te bijten, maar zonder succes. Een volgroeide larve zet zich vast op een geschikte ondergrond en verandert in een voorpop. Ze kiezen hiervoor vaak een plek waar weinig voedsel te vinden is, bijvoorbeeld op een hek, want als pop zijn ze erg kwetsbaar voor predatoren. Binnen enkele dagen verandert de voorpop in een pop. Bij niervleklieveheersbeestjes vormt de opengespleten stekelige larvenhuid een beschermende rand rond de zwarte glimmende pop, als een soort prikkeldraadversperring.


PUTTERS IN DE ZONNEBLOEMEN

9 december 2020

Putters zijn kleurrijke vogels die tot de vinkenfamilie behoren. Ze lusten graag zaden van distels en worden ook wel distelvinken genoemd. Zaden van andere soorten uit de composietenfamilie, zoals zonnebloemen, staan eveneens op hun menu.

Eind november ontvang ik enkele foto’s van een putter met voedselresten aan de snavel op een uitgebloeide zonnebloem. De foto’s zijn gemaakt door Rebecca de Vriend in haar voortuin in Pijnacker. Over haar waarnemingen schrijft ze: “Regelmatig heb ik de putters op de uitgebloeide zonnebloemen gezien. Soms met vier tegelijk. Aan het verenkleed kon je zien dat er ook minimaal één jong van dit jaar tussen zat. Die was namelijk nog niet op kleur. Nu zijn bijna alle zaden opgegeten, dus is het ook minder druk met vogels. Deze week heb ik nog een putter gezien op de zonnebloemen die er nog staan.”
Rebecca: “Wij hebben al een aantal jaren zonnebloemen in de voortuin staan. Eigenlijk wilde ik dit jaar iets anders ervoor in de plaats. Ik vind het leuk om een eetbare, leefbare en diervriendelijke tuin te creëren. Uiteindelijk moet elke plant die erin staat een functie hebben. De zonnebloemen hadden nog geen functie. Nooit heb ik er tot dit jaar een vogel in gezien, omdat ik ze weg haalde als ze uitgebloeid waren. Dat ziet er toch netter uit natuurlijk. Maar omdat er dit jaar halsbandparkieten in zaten toen de eerste zonnebloemen waren uitgebloeid, heb ik ze laten staan. Sinds een paar weken zien wij dus ook regelmatig de putters. Die hadden wij hier nooit eerder gezien. Dus toch maar weer zonnebloemen aankomend jaar en deze laten staan als ze uitgebloeid zijn tot ze leeggegeten zijn.”
Zo zie je maar weer hoe waardevol het is om uitgebloeide planten niet meteen te verwijderen, maar om ze de kans te geven zaden te produceren. Dat is niet alleen gunstig voor het voortbestaan van planten, maar ook voor zaadeters. Putters zoeken graag voedsel in rommelige kruidenrijke hoekjes, maar in de wintermaanden bezoeken ze ook wel voedersilo’s in tuinen. Daar zitten vaak zonnebloempitten in.
De snavels van putters zijn lang, dun en puntig als een pincet. Daarmee kunnen ze zaden uit bloemhoofdjes peuteren waar andere vogels niet bij kunnen. Andere soorten uit de vinkenfamilie, zoals groenling of vink, zijn eveneens zaadeters. Ze hebben allemaal hun eigen specialisatie in de zaden die ze eten. Daar zijn hun snavels op aangepast. Zo kunnen meerdere soorten samenleven in een gebied en een breed spectrum van beschikbare zaden benutten van allerlei verschillende plantensoorten.


BAVIANENKONTEN

2 december 2020

De vrucht van een magnolia is vaak onregelmatig van vorm (foto: Caroline Elfferich)

Een aantal jaar geleden zag ik in de nazomer een onregelmatig gevormde roze droedel in een boom. Ondanks de hardroze kleur viel het merkwaardige groeisel nauwelijks op tussen de bladeren.

Destijds stuurde ik een foto van de roze droedel naar bomenkenner Jaap Smit, met daarbij de vraag: “Wat is dit?” Jaap antwoordde: “Dit is een magnoliavrucht. Deze vruchten worden ook wel bavianenkonten genoemd.” Die bijnaam snap ik wel, want de vrucht doet denken aan het rozerode opgezwollen achterwerk van een vrouwelijke mantelbaviaan in haar vruchtbare periode. Nooit gedacht dat er zulke zonderlinge vruchten zouden ontstaan uit de grote witte of roze bloemen, die magnolia’s in het vroege voorjaar zo overdadig aan hun kale takken toveren.
Onlangs zag ik weer een magnoliavrucht. Terwijl ik de rare droedel sta te fotograferen komt de nieuwsgierige eigenaar van de boom naar me toe om te vragen wat er te zien valt. We maken een praatje op veilige afstand. Ondertussen vraag ik me af waarom je maar zo weinig magnoliavruchten ziet. Er groeien immers aardig wat magnolia’s in Pijnacker en die bloeien ieder jaar uitbundig. Toch zie ik maar zelden vruchten. Zou dat komen omdat ze niet opvallen of omdat ze niet veel voorkomen?
De vruchten zijn aanvankelijk groen en verschijnen op een moment dat er nog veel bladeren aan de magnolia’s zitten. Hierdoor zie je ze gemakkelijk over het hoofd. Ze zijn slechts korte tijd roze. Als ik enkele weken later bij de vrucht ga kijken is hij donkerbruin en opengebarsten. Er puilen een stuk of tien helderoranje zaden uit, ongeveer zo groot als amandelen. Als ik vervolgens het hele struikje inspecteer zie ik geen andere vruchten. Aan vijf andere magnolia’s in de wijk kan ik helemaal geen vruchten vinden. De vruchtzetting lijkt dus niet zo geweldig.
Magnolia’s komen van nature niet voor in ons land. Er zijn meerdere soorten in de magnoliafamilie, waaronder enkele hybriden. Een hybride is een kruising tussen verschillende soorten en dat kan leiden tot verminderde vruchtbaarheid. Of dit bij de magnolia’s in Pijnacker een rol zou kunnen spelen heb ik niet onderzocht. Jaap heeft het vermoeden dat de vrucht op bijgaande foto van de ‘Noordelijke Japanse magnolia’ (Magnolia kobus) is: een natuurlijke soort die door zaaien wordt vermeerderd. De slechte vruchtzetting zou volgens hem kunnen komen door late nachtvorst. Op internet lees ik dat kevers de bloemen bestuiven. Wellicht komen in Nederland niet de juiste keversoorten voor, of zijn ze onvoldoende actief in de periode dat de magnolia’s bloeien.


PARENDE KAARDERTJES

25 november 2020

Web met parende kaardertjes en het achterlijf van een insect (foto: Fred de Haas)

Kaardende spinnen maken webben met ragfijn gekaard spinsel waar insecten aan blijven plakken. In Nederland leven meerdere soorten kaardende spinnen, waaronder het groen kaardertje.

Half oktober ontving ik een bijzondere spinnenfoto van natuurliefhebber Fred de Haas. Hij maakte de foto in de omgeving van zijn woning en beschrijft zijn waarnemingen als volgt: “Dit speciale spinnenweb bekeek ik wat beter en ik zag een spin zitten bij de ingang/uitgang. Het bleek een groen kaardertje te zijn. Bij het bekijken van de gemaakte foto’s meende ik wel meer poten te zien dan gebruikelijk. De spin en haar prooi of partner bewogen niet. Ik heb het liguster takje met het web van de struik afgehaald en meegenomen. Pas de volgende dag heb ik er met beter licht opnieuw naar gekeken. De kleinste spin was dood gegaan. De andere spin zat onder het web.”
Aandachtig bekijk ik de foto die Fred heeft gestuurd. Het is een ingewikkeld beeld, met een achterlijf van een insect erbij, maar volgens mij betreft het een paring. Spinnenparingen zien er meestal ingewikkeld uit vanwege de vele poten die daarbij samenkomen. Op de foto zie je het vrouwtje van de bovenkant, terwijl het mannetje onder haar zit. Met zijn poten houdt hij zich vast aan het lijf van het vrouwtje. Deze houding komt wel vaker voor bij parende spinnen. De mannetjes hebben aan de kop tasters (palpen) met een orgaantje aan het uiteinde waarmee ze hun sperma in de geslachtsopening van het vrouwtje (epigyne) overdragen. Een paring vereist van spinnen vaak acrobatische toeren.
In mijn spinnenboeken kan ik niet vinden hoe groene kaardertjes paren. Daarom vraag ik advies aan spinnenkenner Peter Koomen. Zijn reactie: “De paring bij kaardertjes begint met het blokkeren van de gifkaken van het vrouwtje door de kaken van het mannetje, terwijl de echtelieden tegenover elkaar staan. Over hoe het dan verder gaat kan ik niet veel vinden en ik heb het zelf nooit gezien. Ik schat zo in dat de palpen van het mannetje te kort zijn om de epigyne van het vrouwtje te bereiken als hij tegenover haar blijft staan. Dus waarschijnlijk zal het mannetje op een gegeven moment wel onder het vrouwtje terecht komen. Op de foto lijkt het mannetje redelijk schrijlings onder het vrouwtje te liggen, dus ik vermoed dat hij hier al opgegeten wordt.”
Als ik de foto die Fred mij stuurde nog eens bekijk heb ik de indruk dat het mannetje nog wel leeft, al zal dat niet lang meer duren. Hij heeft niet alleen zijn sperma overgedragen voor het nageslacht, maar ook de voedingstoffen uit zijn lijfje.


GLAS POETSEN MET GLASKRUID

18 november 2020

Glaskruid is nauw verwant aan de brandnetel (foto: Caroline Elfferich)

Tijdens een wandeling in Pijnacker zie ik een flinke pol glaskruid in een voortuin. De onopvallende planten groeien tussen de tegels onder een boompje.

Bij de eerste oogopslag meen ik de plant te herkennen als klein glaskruid: een vrij zeldzame, beschermde inheemse plant, die vooral in het stedelijk gebied voorkomt. Deze soort, die nauw verwant is aan de brandnetel, groeit vooral op oude muren in historische binnensteden. In de nieuwe Heukels’ flora valt te lezen dat klein glaskruid toeneemt in ons land. Enkele jaren geleden viel het me al op dat deze plant het goed doet in het centrum van Dordrecht. Uit navraag blijkt dat dit ook het geval is in Rotterdam.

In de ecologische flora lees ik dat er twee soorten glaskruid zijn: groot en klein. Groot glaskruid groeit van nature in de ondergroei van bossen, klein glaskruid op muren. Ze kunnen echter op elkanders groeiplaats voorkomen. In dat geval lijken ze uiterlijk veel op elkaar. Naar aanleiding hiervan besluit ik het glaskruid, dat ik in Pijnacker heb gevonden, nog eens wat nader te bestuderen. Aan de bloemkenmerken blijkt dat het groot glaskruid betreft. Deze soort groeit veel in boomkwekerijen en wordt soms als verstekeling meegenomen met pootgoed. Wellicht is het groot glaskruid op die manier in Pijnacker terecht gekomen.

De ecologische flora vermeld dat men glaskruid vroeger gebruikte om glas te poetsen. Als ik hierover van gedachten wissel met plantenkenner Raymond van der Ham, laat hij weten dat deze toepassing al wordt genoemd in het ‘Cruijdtboeck’ van Dodonaeus uit 1608. Dit maakt mij nieuwsgierig naar de poetskwaliteiten van glaskruid. Eerst test ik een gedroogd blaadje op een glas dat al jarenlang niet is gebruikt. De gedroogde blaadjes van glaskruid zijn klein en teer en poetsen waardeloos. Daarna probeer ik een vers takje met een stuk of tien bladeren er aan. Tot mijn verrassing vliegt de aanslag van het glas. Waaraan zou glaskruid zijn poetskwaliteiten ontlenen?

De dunne bladeren voelen een beetje ruw. Onder de microscoop zie ik op het blad vele haartjes. Verzonken in de bovenzijde van het blad zitten talloze kleine witte bolletjes. Raymond onthult dat die bolletjes cystolithen worden genoemd en kalk bevatten. Verder stuurt hij een artikel toe, waarin beschreven wordt dat glaskruid een opmerkelijk hoog gehalte aan calcium en kalium bevat. Het is mij nog niet glashelder waarom glaskruid geschikt is om glas te poetsen, maar waarschijnlijk gaat het om een combinatie van de structuur en de chemische samenstelling van de bladeren.


KLEINE MARTERACHTIGEN IN GROENZOOM

11 november 2020

De hermelijn heeft een zwarte punt aan de staart (foto: Gerard de Hoog)

Begin oktober schreef ik over martermeldingen in de natuurrubriek. Enkele dagen later maakt dochter Inge mij attent op een artikel over kleine marterachtigen in de Groenzoom.

Het artikel staat op de website van de Groenzoom en is geschreven door Alyssa van der Linden. Het gaat over onderzoek dat ze heeft gedaan voor haar studie Dierwetenschappen in Wageningen. Eind oktober spreek ik Alyssa in het onderzoeksgebied. Ze vertelt vol enthousiasme:
“Ik heb vier maanden stage gelopen bij Antea group. Dit ingenieursbureau heeft een team ecologen in dienst, die in opdracht de aanwezigheid van beschermde diersoorten onderzoeken in gebieden waar ingrepen zijn gepland. Kleine marterachtigen zijn in een aantal provincies beschermd, maar ze zijn lastig te vinden. Ook met cameravallen krijg je ze niet makkelijk in beeld, omdat ze watervlug zijn. Mijn onderzoeksvraag was of lokstoffen effectief gebruikt kunnen worden om deze dieren voor de camera te krijgen. De lokstoffen die ik heb getest zijn gebaseerd op voeding.”
Alyssa vertelt dat ze haar onderzoek in de Groenzoom heeft uitgevoerd, omdat vanuit waarneming.nl bekend was dat daar wezels en hermelijnen leven. De beheerder van de Groenzoom verwachtte ook bunzingen in het gebied. In overleg met de beheerder heeft ze vijf verschillende meetlocaties gekozen. Hierbij hebben ze gelet op de aanwezigheid van dekking, want kleine marterachtigen verplaatsen zich bij voorkeur ongezien. Eén van de meetlocaties bevond zich in de faunapassage onder het viaduct voor de N471. Deze passage is met boomstronken ingericht, speciaal voor marterachtigen. Op de vijf gekozen meetlocaties plaatste Alyssa vijf cameravallen met verschillende lokstoffen en een controle zonder lokstof.

Gedurende tien weken hebben de vijfentwintig camera’s beelden vastgelegd van: hermelijn (3x), wezel (18x) en bunzing (28x).
Een aantal van deze foto’s zijn te zien in het artikel van Alyssa op www.degroenzoom.nl. Conclusies over de lokstoffen wil ze nog niet onthullen, want ze schrijft hierover een artikel voor ‘Lutra’, het tijdschrift van de Zoogdiervereniging. Ze wil alvast wel verklappen dat er ook zonder lokstoffen dieren voor de camera kwamen. De bunzingbeelden zijn allemaal ’s nachts vastgelegd, terwijl wezels en hermelijnen zich uitsluitend overdag lieten fotograferen. Hoeveel marterachtigen er in de Groenzoom leven kan Alyssa niet inschatten, maar waarschijnlijk ging het om minstens twee verschillende bunzingen. De meeste waarnemingen zijn gedaan in de faunapassage. Deze voorziening lijkt dus wel te werken.


ZWARTWORDENDE WASPLAAT

4 november 2020

De zwartwordende wasplaat is een fraaie paddenstoel (foto: Saskia Gravesteyn)

Enkele weken geleden stonden er in de Telstar twee foto’s van paddenstoelen. De ene foto toonde een forse reuzenbovist in de Groenzoom, op de andere foto was een kleine helderoranje paddenstoel te zien.

Het oranje paddenstoeltje is gefotografeerd door Saskia Gravesteyn. Ze stuurde de foto naar de redactie met daarbij de tekst: “Goeiemorgen. Op 18 oktober ontdekte ik in ’t Balijbos de zwartwordende wasplaat, een paddenstoel die ik hier nog nooit gezien had in Pijnacker-Nootdorp. Wat een mooie is dit!” Zowel de fraaie foto als de tekst trekken mijn aandacht. Deze paddenstoel heb ik ook nog nooit bewust gezien in de gemeente en de naam komt mij helemaal niet bekend voor. Ik neem contact op met Saskia en we maken een afspraak om samen te gaan kijken naar haar leuke vondst.
Een dag voordat we elkaar zullen ontmoeten stuurt Saskia een foto van een geplette zwartwordende wasplaat. De steel ligt naast de hoed, die volledig in tweeën is gespleten. Saskia was gaan kijken hoe de twee wasplaten erbij stonden die ze een week eerder gevonden had. Toen bleek dat er eentje was verdwenen en de andere was kapot. Echt zonde! Veel zwammen sneuvelen door betreding, maaien en plukken in deze drukbevolkte regio. Ondanks deze tegenslag treffen we elkaar de volgende dag bij restaurant ‘De Brede Hoek’ aan de Nieuwkoopseweg, vlakbij de vindplaats van de paddenstoeltjes. We lopen naar de plek waar de schamele resten liggen.
De zwartwordende wasplaat dankt zijn naam aan het verschijnsel dat hoed en steel zwart verkleuren na beschadiging of bij veroudering. Dat kunnen we nu mooi gaan bekijken. Saskia heeft de onopvallende onderdelen al snel gevonden en jawel, ze beginnen duidelijk zwart te kleuren. Ze vertelt dat ze de wasplaten zag staan toen ze erlangs fietste. Ze herkende de paddenstoelen meteen, omdat ze deze soort al eens eerder had gefotografeerd in IJmuiden. Sinds drie jaar fotografeert ze met veel plezier paddenstoelen en ze is dol op deze sierlijke, kleurige wasplaten. “Ik was helemaal euforisch toen ik ze zag staan,” aldus Saskia.
Op de foto is de hoed van de wasplaat spits kegelvormig. In de paddenstoelengids staat dat de hoed vlakker wordt bij het verouderen en de rand kan gaan golven. Bij ongeschonden exemplaren verandert de kleur langzaam naar zwart. Zwartwordende wasplaten zijn vrij algemeen in Nederland. Ze kunnen worden aangetroffen in de kleuren geel, oranje en rood. De hoed is enigszins vochtig en vaak ingesneden aan de rand. Onder de hoed zijn de grove wasachtige plaatjes zichtbaar.

BEZOEK VAN NICKY

28 oktober 2020

Huisspinnen zijn groot (lijf maximaal 16 millimeter) maar ongevaarlijk (foto: Peter Koomen)

In het najaar duiken er soms grote spinnen op in huis. Ze verschijnen onverwacht en kunnen hoge snelheden bereiken. Vrijwel iedereen is onder de indruk van hun verschijning….

Half september zat er in onze hal een stoere donkergrijze spin met lange poten. De weken daarna kreeg ik twee meldingen van vergelijkbare waarnemingen. Als kind was ik doodsbang voor deze grote spinnen. Mijn angst nam af toen mijn moeder de naam ‘Nicky’ voor hen bedacht. Zo werden het huisdieren en kregen ze bestaansrecht. Door het verrassingseffect bezorgen ze schrikreacties. Zo pakte mijn man eens een theedoek van de verwarming en smeet deze meteen op de grond. Ik dacht dat hij geen zin had om af te drogen en keek hem vragend aan. Hij zei: “Kijk maar eens in de theedoek.” Daar zat Nicky in.
Die grote spinnen heten huisspinnen. Ze wonen in huizen en schuren. Er zijn enkele op elkaar gelijkende soorten. In ons huis wonen vermoedelijk gewone huisspinnen (Eratigena atrica), maar het zouden ook grijze huisspinnen (Tegenaria domestica) kunnen zijn. Ze leven in een gesponnen trechter, met een kleine mat ervoor die niet kleeft. Met eindeloos geduld wachten ze tot er een prooi voorbij komt, die ze met een pijlsnelle verrassingsaanval kunnen overmeesteren. Huisspinnen zien mensen niet als prooi.
Vroeger woonde er in onze hal een huisspin naast de voordeur. Als een trouwe waakhond zat ze in haar trechtertje. Huisspinnen zijn bang van mensen en daar hebben ze alle reden voor. Wij zijn veel groter en gevaarlijker voor hen, dan andersom. Dat staat ook beschreven in het prentenboekje ‘Japie de spin’, van Polina Been. Ze maakte het boekje om mensen van hun spinnenangst af te helpen.
Tegenwoordig kan ik met plezier naar huisspinnen kijken. Het imposante spinnenvrouwtje in onze hal zat een poosje stil op de muur. Heel voorzichtig verzette ze een paar poten en stortte daarna onelegant op de grond. Enkele ogenblikken later kwam ze onder de verwarming vandaan gerend, stof achter zich aanslepend. Ik zat op de trap om haar te observeren. Ze rende recht naar me toe. Enkele centimeters voor mijn rechtervoet stond ze opeens stil. Bijzonder dat spinnen in zo korte tijd kunnen omschakelen van topsnelheid naar stilstand. Na een halve minuut roerloosheid rende ze weg en verdween onder de deur van de berging. Wellicht was ze op zoek naar een partner. Trechterspinnen wonen vaak een poosje samen. Tijdens de paring laten de vrouwtjes gedwee met zich sollen. Naderhand worden de mannetjes niet dood gebeten. Het zijn grote zachtaardige spinnen.


DOORTREKKENDE DRAAIHALS

21 oktober 2020

Een draaihals is iets kleiner dan een spreeuw (foto: Gerard de Hoog)

Op 27 augustus werd een draaihals gesignaleerd op een stenig pad langs de N470, dichtbij de Zuideindseweg. Deze zeldzame grijsbruine spechtensoort is alleen tijdens de trektijd te verwachten in de omgeving van Pijnacker.

Het is echt iets bijzonders als een draaihals zich vertoont in Zuid-Holland. In Nederland broeden tussen de 35 en 75 paar draaihalzen, vooral op de Veluwe en in Drenthe. Ze overwinteren in Afrika. Mijn moeder zag jaren geleden tijdens de trektijd in de tuin een onbekende vogel, die geruime tijd op de bestrating rondscharrelde om mieren te eten. Ze maakte een schets en gedetailleerde aantekeningen van het uiterlijk en gedrag van de vogel. Het kon bijna niets anders geweest zijn dan een draaihals.

Zelf heb ik slechts enkele malen in mijn leven een draaihals gezien. Ze zijn niet alleen zeldzaam, maar ook nog eens geheimzinnig en schuw. Ik herinner me een waarneming in Hongarije, heel vroeg in de morgen. We lagen nog te slapen in een vakantiehuisje, toen er vlak voor het slaapkamerraam de roep van een draaihals weerklonk. Mijn man en ik zaten meteen rechtop in bed en enkele seconden later stonden we uit het raam te kijken. Ja hoor, daar zat een draaihals vlakbij in het gras. Daar kun je ons wel voor wakker maken! Recenter zagen we deze kleine spechtensoort bij een nestholte in Drenthe.

De draaihals langs de N470 bleef daar hangen tot 17 september. Mijn man heeft meerdere pogingen gewaagd om hem te zien, uiteindelijk met succes. Mijn zoekpogingen waren tevergeefs, maar bij de tweede poging ontmoette ik Toine Andernach. Hij vertelde me dat hij een boek aan het maken is over de naamgeving van vogels. Naderhand vraag ik Toine naar een verklaring van de naam ‘draaihals’. Hij stuurt een citaat uit ‘Blok en ter Stege 2008’: “Deze spechtensoort heeft een uiterst bewegelijke hals die hij ver kan uitrekken en waarmee hij zijn kop wel een halve slag kan draaien. Met deze karakteristieke bewegingen, gecombineerd met sissende geluiden als van een slang, weet de vogel bij gevaar zijn belager meestal wel af te schrikken.” Toine voegt eraan toe: “De draaihals heeft dus een naam die verwijst naar een eigenschap van een lichaamsdeel. Net als de roodborst, de kruisbek, de koperwiek en vele andere vogelsoorten. Omdat een draaihals kan sissen als een slang en een heel lange tong heeft, zijn de Vlaamse volksnamen adderspecht en slangevogel ook zo gek nog niet. Die lange tong gebruikt hij voor het vangen van mieren, wat dan weer zijn oude Nederlandse naam ‘mierenjaager’ verklaart.”